De vier dimensies van solidariteit. Om de juiste keuzes te maken moeten we een essentieel concept van zijn politieke ballast ontdoen.20-05-2020

Het is tegenwoordig stoer om niet solidair te zijn, want solidair is stoffig en ondoelmatig. Solidair is geld over de balk gooien. Maar de wereld Na de Noodrem zal juist vorm krijgen door onze opvattingen over solidariteit in tijden van krimp en crisis. Dan moeten we ons ontdoen van ideologische vooroordelen en de vier dimensies van solidariteit ordelijk onder ogen zien. Dat zal in Nederland nog niet zo eenvoudig zijn. 

Het is nog maar twee maanden geleden, die collectieve ruk aan de Noodrem. En wat deden we dat samen! Samen in lockdown. Samen naar Rutte kijken. Samen de nieuwe Zoom-etiquette ontdekken. Samen schande spreken over Booking.com, KLM en Pieter Elbers. Beetje klagen over de buren die gewoon zaten de barbecueën. En samen klappen voor de zorgverleners. En dan veel te dure sateetjes bestellen bij het eetcafé om de hoek. Prompt voorspelde de ene expert na de andere columnist een betere wereld. Liefst doorspekt met virale beeldspraken. Een wereld met meer gezamenlijkheid. Ja, het solidariteit-woord viel weer.

Dat samen is nu een beetje sleets aan het worden. We realiseren ons dat we - zoals gebruikelijk in een crisis - de zwaarste offers hebben opgelegd aan de minst weerbare mensen. Een nieuw cohort columnisten voorspelt een dikke vinger van de jongeren naar de ouderen, van gezonden naar de zieken en de veel-verdieners naar de armlastigen. Misschien. Anderzijds investeren we miljarden, onze gezamenlijke miljarden, in het overleven van ons systeem. Dat is toch ook solidariteit, maar dan goed georganiseerd? En als we daarbij een beetje rekening houden met de belangen van de generaties na ons is dat niet alleen doelmatig, maar toch ook solidair – met onze kleinkinderen.

Je kunt je afvragen welke kant het nu echt op gaat met die solidariteit. Weten we het nog steeds zo zeker, die trend naar meer? Of is de toekomst van solidariteit een van de belangrijke onzekerheden van de wereld Na de Noodrem? Als dat zo is, dan moeten we in ieder geval denken in genuanceerder termen dan alleen meer (of minder) solidair. Dat is niet alleen een hoog-abstracte maatschappelijke discussie. De mate van solidariteit in een samenleving heeft een enorme impact op de keuzes en mogelijkheden van ieder individu. En anderzijds is solidariteit is ook een keuze, binnen families, bedrijven, instellingen en verenigingen. De vragen die nu op tafel – sommige nog van voor de Noodrem – verdienen meer dan ooit een doordacht antwoord.

  • Wat worden de toegangscriteria voor de zorg, en vooral heel dure zorg?
  • Blijven we investeren in gespecialiseerde ouderdomsziektes of richten we ons meer op preventie en de veerkracht van een basis gezondheidssysteem?
  • Houden we zoveel mogelijk mensen in dienst voor minder, of nemen we direct afscheid van wie we niet kunnen gebruiken?
  • Bij hoeveel sterfgevallen in welke bevolkingsgroepen is een volgende Noodrem aan de orde? En denken we dan ook de gevolgen voor mensen buiten onze grenzen?
  • Nemen we als bedrijf de verantwoordelijkheid voor het systeem? Welke systeemverantwoordelijkheid eisen we eigenlijk van die bedrijven?
  • Betalen ouders tijdelijk meer ouderbijdrage of sportcontributie om de kinderen van economische Noodrem-slachtoffers aan boord te houden?
  • Lopen we vanaf nu de winkels van Action voorbij, en boeken we onze kamers weer direct bij het hotel?

Dit zijn geen kinderachtige kwesties, en juiste beslissingen hangen samen met een goed begrip van soldariteit. Daarvoor moeten we begrijpen hoe de polarisatie rond het begrip is ontstaan in een periode die al ver achter lijkt te liggen, maar vrijwel alle politieke smaakmakers en economische denkers direct of indirect heeft gevormd.

 

Het stoffige geurtje rond het woord solidariteit dateert uit de jaren 1970 en '80, toen solidariteit leek uit te groeien tot een kerntaak van de overheid. Dat was geen linkse hobby, integendeel. Wie tussen 1945 en 2000 in West-Europa is geboren groeide op in een politiek systeem dat op solidariteit was gebaseerd. Van Sicilië tot de Noordkaap heerste de consensus van de sociaal- en christendemocratie dat een samenleving alleen bij elkaar kon blijven als je voldoende voor elkaar en het gezamenlijke systeem over had. Eerlijk delen had nog geen stoffige bijsmaak, en het diende ook nog een collectief doel. Vrede en welvaart was alleen denkbaar in een systeem waar zoveel mogelijk mensen een belang bij hadden, of tenminste voelden dat zij en hun kinderen dat belang hadden. The American Dream, zeg maar, en dan in het echt.

Solidariteit ligt in het hart van onze grootste economische sectoren en internationale netwerken. Wie bij voorbaat solidariteit afschrijft, vernauwt de blik en verkleint het aantal beschikbare strategische opties. Wie zich terugtrekt in zijn eigen gelijk, staat straks geïsoleerd voor de consequenties.

De historicus en politiek denker Tony Judt gaf de periode 1945 - 2000 een naam – Postwar – en schreef er een monumentaal boek over met dezelfde naam. In Postwar beschrijft hij een samenleving van de getuigen, slachtoffers en daders van een barbaarse oorlog en hun eerste generatie kinderen. Voor hun was de terugkeer van die barbarij geen ver-van-mijn-bed-show uit het verleden – die barbarij was om de hoek, lag soms op luttele kilometers afstand achter een IJzeren Gordijn. Een maatschappelijke ordening waarin ieder elkaar wat gunde was geen exclusief Nederlands fenomeen, ook al hebben we er met woorden als poldermodel en sociale partners wel heel eigen woorden en vorm aan gegeven.

Judt schreef Postwar als een geschiedenisboek: hij constateerde dat er flinke scheuren zaten in het fundament van die op solidariteit gebaseerde samenleving. Misschien was het omdat de diabolische tegenstander in het oosten was ingestort. Of omdat de ongedacht geweldloze assimilatie van de meeste Oostbloklanden in de Europese familie de herinnering aan 40-45 tot ‘oude geschiedenis’ degradeerde. Of omdat steeds grotere groepen de indruk hadden dat het systeem de kansen en de welvaart helemaal niet zo eerlijk verdeelde. Of omdat de permanente groei, waarmee we onze solidariteit hadden gefinancierd, steeds minder vanzelfsprekend was. Sterker nog: die solidariteit zou zelfs een rem zijn op die onontbeerlijke groei. Interstatelijke solidariteit, was dat geen beloning van slecht gedrag? En al te veel via de overheid georganiseerde solidariteit, was dat geen armzalig alternatief voor echte, intermenselijke solidariteit?
 
Zo ontstond er allergie voor het woord. In het neoliberale discours was het begrip solidariteit een echo van een ongewenst verleden. En als ze nu in Zuid-Europa het woord solidariteit roepen, gilt er hier een politicus voor eigen parochie: ‘Geen eurobonds!’ En als ze dan in het zuiden (ook voor eigen parochie) roepen dat je niet solidair bent – dan krijg je van je Nederlandse politieke collega’s en concurrenten getwitterd applaus. Het is stoer om niet solidair te zijn. Dat die Eurobonds er feitelijk wel zijn gekomen (met een andere naam) is helemaal niet erg. We kunnen wel solidair zijn, maar het mag blijkbaar niet zo heten. En we vergeten zelfs te vragen of ze in Zuid-Europa wel solidair zijn met de zuinige keuzes die wij onszelf opleggen.
 
Het begrip solidariteit heeft een ethische, morele en politiek lading gekregen, die de echte betekenis van solidariteit overschaduwt. Zo vergeten we dat solidariteit heel erg nuttig is, ja zelfs totaal onmisbaar voor een functionerend menselijk en maatschappelijk systeem, een systeem dat overeind kan blijven in de storm, een systeem dat effectief kan concurreren of samenwerken met andere systemen. Solidariteit gaat niet alleen om geven – dat is charitas, een ander onderwerp. Solidariteit ligt in het hart van onze grootste maatschappelijke en economische sectoren: ons financiële stelsel van banken, verzekeringen en pensioenen, grote delen van onze voedsel- en landbouwketen en de zorgindustrie. En het ligt ook in het hart van stabiele, profijtelijke internationale allianties en netwerken. Wie bij voorbaat solidariteit afschrijft, vernauwt de blik en verkleint het aantal beschikbare strategische opties. Wie zich terugtrekt in zijn eigen gelijk, staat straks geïsoleerd voor de consequenties. Ik denk dat we die les na de vorige crisis wel mogen trekken.

Wie elkaar nodig heeft, wie normen en waarden deelt, wie gezamenlijke doelen wil realiseren, die moet wel bij elkaar blijven. Daar moet je wat voor over hebben. Daar investeer je in. Dat gedrag is solidariteit: jouw probleem is mijn probleem, mi casa es su casa - maar dat geldt ook andersom. Solidariteit is een intens menselijke competitieve strategie, die innig verstrengeld is met een ethische norm en tenslotte verward is met een ietwat gedateerde politieke ideologie. En dan wordt dat nuttige begrip ineens verdacht.

In tijden van stress wordt de groep kleiner en hechter. Dat zien we nu. Hoe het dan verder gaat hangt af van individuele en maatschappelijke keuzes.

Dit is het moment om solidariteit van nutteloze politiek-ideologische ballast te ontdoen. In de wereld Na de Noodrem zullen we verlies moeten nemen en lijkt iedere projectie van groei een vorm van wensdenken. Solidariteit betekent dus ook: individueel verlies accepteren om te investeren in de vitaliteit en weerbaarheid van de groep, het bedrijf, de instelling, het systeem. Daar wil je even ordelijk over nadenken.  Dan is het nuttig om deze vier dimensies van solidariteit van elkaar te onderscheiden en ze één voor één af te wegen.
1.    Om wie gaat het eigenlijk?
Wie moet met wie solidair zijn? Hoe groot wordt de groep? Is het een overdracht, of een grote onderlinge?
2.    Wat wil je ermee bereiken?
En wat is dan het doel? Op welke impact hoop je? Moet de groep bij elkaar blijven? Wil je voldoen aan een ethische norm? Een vuist maken naar de buitenwereld? Of de risico’s van alledag voor elkaar opvangen?
3.    Wat mag het kosten?
De middelen zijn schaars, de ‘business case’ voor solidariteit is nauwelijks door te rekenen. Toch moet je beslissen: wat heb er voor over? Of wil je dat anderen er voor over hebben? Hoeveel zekerheid op rendement wil je? Welk risico ben je bereid te nemen?
4.    Hoe wil je het realiseren?
Ga je het gewoon doen, zelf? Of het vriendelijk aan de leden van de groep suggereren? Of simpelweg opleggen en desnoods afdwingen met regels en handhaving?

Deze vragen gelden altijd, in ieder verband: nationaal, internationaal, sectoraal, maar ook in het eigen bedrijf, de eigen waardeketen, de eigen sociale kring. In deze domeinen zien we in tijden van stress hetzelfde verschijnsel: binnen hecht verbonden groepen wordt de solidariteit sterker, mag ook meer kosten, maar die groepen worden ook kleiner. We beleven de solidariteit intenser en explicieter, en tegelijkertijd brengen we het verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ scherper aan. In de termen van de vier dimensies: (1) de groep wordt kleiner en homogener, (2) bij elkaar blijven en het onderlinge systeem versterken is het doel, (3) dat mag tijd, geld en aandacht wat kosten, en (4) het solidaire gedrag is een norm binnen de groep. Kleiner en hechter, dat zien we nu. Vergeet niet: solidariteit is een competitie strategie.

Het loont de moeite hier langzaam over na te denken, vooral als je verantwoordelijk bent voor een groep. Of het nu gaat om de heroverweging van zorg en economie, het bij elkaar houden van een professioneel team, of je eigen consupmtiepatroon: de vier dimensies helpen daarbij. Emotionele denkfouten liggen immers op de loer. Afkeer kan verlies kan een verbindend moreel gebod overschaduwen. Politieke vooroordelen kunnen leiden tot het verwaarlozen van wat je eigenlijk dierbaar is. Zucht naar harmonie met mensen die op je lijken kan je weerhouden van een investering waar uiteindelijk iedereen beter van wordt. Onrealistische doelen kunnen leiden tot nutteloze gebaren. Eén ding is zeker: als je weigert ordelijk na te denken over solidariteit sluit je de ogen voor de meest wezenlijke vragen waarvoor de wereld na de Noodrem ons stelt.

Deel dit artikel

Nieuwe artikelen in je mailbox?

Meld je aan voor de nieuwsbrief
« Vorige | Terug | Volgende »